Geen tijd meer voor blufpoker | |
| Datum | 01/01/1970 |
| Door | goedele |
| Type |
Europa, Klimaat, Maatschappelijk, Website
|
Opiniestuk door José Manuel Barroso verschenen in De Tijd van 22 september
Minder dan drie maanden voor de klimaatconferentie in Kopenhagen is er geen tijd meer voor blufpoker rond onderhandelingstafels. We moeten de grenzen van het politiek haalbare opzoeken, en knopen doorhakken. Anders wordt het akkoord van Kopenhagen misschien wel de langste en meest algemene zelfmoordbrief ooit.
Het klimaat blijkt veel sneller te veranderen dan we twee jaar geleden nog dachten. Op de oude voet doorgaan leidt in de loop van deze eeuw vrijwel zeker tot een gevaarlijke, zo niet catastrofale klimaatverandering. De huidige generatie politici staat voor haar belangrijkste opgave.
De vooruitzichten voor Kopenhagen stemmen zorgelijk. Het gevaar is levensgroot dat de onderhandelingen in een impasse raken waar we niet zomaar uit komen door de onderhandelingen volgend jaar te hervatten.
De gevolgen zouden wel eens tot een bitter fiasco kunnen leiden, bijvoorbeeld door een diepe kloof tussen de ontwikkelde landen en de ontwikkelingslanden. En dat is wel het laatste wat de wereld op dit moment nodig heeft. Ik hoop dan ook dat de wereldleiders in New York (VN) en Pittsburgh (G20) de ernst van de toestand onder ogen zien en dat we alles op alles zullen zetten om de onderhandelingen voor Kopenhagen (Klimaatconferentie) vlot te trekken.
Dit is niet het moment voor blufpoker. Het komt er nu op aan met voorstellen te komen waarmee we de grenzen van het politiek haalbare opzoeken. Precies wat Europa altijd heeft gedaan.
Om succes te boeken, moeten we de grote lijnen vaststellen van een akkoord dat kans op slagen heeft. Voor die opgave denk ik dat de wereldleiders die in New York bijeenkomen een beslissende rol kunnen spelen.
De oplossing bestaat er in dat alle ontwikkelde landen toelichten hoe zij hun uitstoot op middellange termijn willen verminderen, en daarbij het nodige leiderschap tonen - zeker gelet op onze verantwoordelijkheid voor de uitstoot in het verleden. Als we tegen 2050 tot een vermindering van ten minste 80 procent willen komen, moeten de ontwikkelde landen ernaar streven tegen 2020 de nodige gezamenlijke reducties van 25 tot 40 procent te verwezenlijken. De Europese Unie is bereid haar 20 procent te verhogen tot 30 procent, als andere partijen een vergelijkbare inspanning leveren.
Voorts moeten de ontwikkelde landen nu ronduit erkennen dat zij alle een belangrijke rol moeten spelen bij de financiering van de verminderings- en aanpassingsmaatregelen van de ontwikkelingslanden. Volgens onze raming hebben de ontwikkelingslanden tegen 2020 jaarlijks ongeveer 100 miljard euro (150 miljard dollar) extra nodig om de klimaatverandering het hoofd te bieden. Een deel van dat bedrag zal door de economisch meer gevorderde ontwikkelingslanden zelf worden gefinancierd. Het grootste deel moet echter door de koolstofmarkt worden opgebracht, als we tenminste de moed hebben om een ambitieuze wereldwijde regeling in te voeren.
De ontwikkelde landen zullen echter ook een financiële bijdrage moeten leveren aan de maatregelen van de ontwikkelingslanden. Wellicht gaat het over 22 à 50 miljard euro (30 tot 70 miljard dollar) per jaar tegen 2020. Bijna de helft van dat bedrag is nodig ter ondersteuning van aanpassingsmaatregelen die in de eerste plaats de kwetsbaarste en armste ontwikkelingslanden ten goede komen. Afhankelijk van de uitkomst van de besprekingen over internationale lastenverdeling, zou de EU daarvan tussen 10 en 30 procent voor haar rekening kunnen nemen. Dat komt neer op 5 tot 15 miljard euro (of 22 miljard dollar) per jaar.
We moeten kortom bereid zijn op de middellange termijn een belangrijke bijdrage te leveren, en er tegelijk over na te denken hoe we ontwikkelingslanden op korte termijn (volgend jaar bijvoorbeeld) een start- financiering kunnen aanbieden. Graag zal ik dit punt eind oktober met de EU-leiders bespreken.
We moeten dus kenbaar maken dat we deze week over de centen willen spreken. En voorts moeten de ontwikkelingslanden - zeker de economisch meer gevorderde - veel duidelijker zijn over wat zij willen doen om hun koolstofemissie terug te dringen in het kader van een internationale overeenkomst. Zij hebben al binnenlandse maatregelen getroffen om de uitstoot van koolstof te beperken, maar met name de meer gevorderde ontwikkelingslanden moeten hun inspanningen beslist opvoeren. Zij benadrukken uiteraard dat zij alleen emissiereductiemaatregelen kunnen treffen, als de rijke landen voor een CO2-financiering zorgen, zoals overeengekomen op de top van Bali. Maar er valt voor de ontwikkelde landen weinig te financieren als het ontbreekt aan politieke daadkracht.
Er zijn minder dan 80 dagen te gaan tot Kopenhagen. Sinds de bijeenkomst in Bonn vorige maand omvat de ontwerptekst zo'n 250 pagina's: een schat aan alternatieven, een woud van vierkante haakjes. Als we geen knopen doorhakken, zou het wel eens de langste en meest algemene zelfmoordbrief ooit kunnen worden.
Het belooft deze week in New York en Pittsburgh erg spannend te worden, nu zal blijken hoeveel de wereldleiders echt in deze onderhandelingen willen investeren en hoe ver zij willen gaan om tot resultaten te komen. De keuze is eenvoudig: geen geld, geen afspraken. Maar ook: geen maatregelen, geen geld.
Kopenhagen is een unieke kans om collectief te kiezen voor een emissiebeleid dat de opwarming van de aarde beperkt tot minder dan 2 graden Celsius. De tegenaanval moet deze week in New York worden ingezet.
José Manuel Barroso
Is voorzitter van de Europese Commissie.
Stelt dat het klimaat veel sneller wijzigt dan gedacht.
Vindt dat alle landen, en zeker de economisch meest gevorderde, veel duidelijker moeten zeggen wat ze willen doen om de Klimaatconferentie van Kopenhagen alsnog te redden.
De wereldleiders moeten in New York en Pittsburgh de tegenaanval inzetten.
Commentaren
Nieuw commentaar posten