Electrabel maakt own goal door wild om zich heen te stampen | |
| Datum | 01/01/1970 |
| Door | Anonymous |
| Type |
België, Energie, Maatschappelijk, Website
|
Electrabel stampt dezer dagen weer wild om zich heen. Zenuwachtig kijkt het bedrijf naar de onderhandelingen over het lot van haar kerncentrales en over hoe de winst van deze melkkoeien - meer dan een miljard € per jaar - eindelijk zal worden afgeroomd. Eerst zou niet meer in ons land geïnvesteerd worden, dan werd dreigend een fikse prijsverhoging voorspeld en tenslotte kondigde men aan geen zes maanden te zullen wachten op de nieuwe capaciteitsplanning om het doek te laten vallen over de drie oudste kerncentrales.
Dat Electrabel in ons land niet langer wil investeren in nieuwe productiecapaciteit, is meer dan wenselijk. In 2005 diende ik samen met toenmalig open-VLD senator Luc Willems in de Senaat nog een wetsvoorstel in dat precies tot doel had een investerinsgsstop op te leggen aan dominante marktspelers die over meer dan 37% van de productie beschikken. Immers, vanaf dergelijk marktaandeel spreken Europese autoriteiten van "significant market powers" die in staat zijn prijzen te sturen. Samen met het niet langer hervergunnen van verouderde centrales, biedt zo'n investeringsstop een uitgelezen kans om de marktconcentratie binnen de elektriciteitsproductie af te bouwen. Op die manier worden investeringskansen voorbehouden voor nieuwkomers die zo op termijn met eigen centrales kunnen zorgen voor een echte concurrentie en een neerwaartse druk op de prijzen. Dat Electrabel nu zelf aankondigt haar investeringen in ons land terug te schroeven, moeten we dus niet betreuren maar toejuichen. Trouwens, in verhouding tot de winst die men maakt met de afgeschreven kerncentrales werd er nog amper in ons land geïnvesteerd.
Dan het dreigement van de prijsstijging. Electrabel moet wel weten we ze wil. Jarenlang beweert het bedrijf immers dat er van eenzijdige prijsverhogingen geen sprake is omdat het opereert in een Frans-Belgisch-Nederlandse stroommarkt waarin de prijzen naar elkaar zijn toegegroeid en dominante partijen afwezig zijn. Nu toch dreigen met een prijsverhoging bij het verder afromen van de nucleaire rente is een schuldbekentenis: men is dan blijkbaar toch in staat de marktprijzen te sturen. Laat ons wel wezen, in een perfect werkende markt is het de variabele kost van de duurste centrale waar nog vraag naar is die de marktprijs bepaalt. Door de band is dat een gasgestookte centrale. Zolang het verschil tussen de hoge marktprijs en de lage productiekost van afgeschreven kerncentrales niet volledig wordt wegbelast (en dat is in geen enkel voorstel het geval), leidt dergelijke belasting niet tot een prijsstijging. Dat geldt tenminste in perfecte markten. Zoals hierboven uiteengezet is de dominantie van Electrabel op onze stroommarkt van die aard dat er wel degelijk een risico bestaat op machtsmisbruik met eenzijdige prijsverhogingen tot gevolg. Dat lossen we niet op door minder nucleaire winsten af te romen, maar door de dominantie verder te doorbreken. Dat kan onder meer door dominante partijen te verplichten om een deel van hun productiecapaciteit op de markt te veilen. Op die manier kunnen concurrenten van Electrabel in afwachting van de bouw van eigen centrales, als het ware beschikken over een "virtuele centrale" waarmee zij hun nieuw verworven klanten kunnen beleveren. Als binnen een gezonde markt Electrabel alsnog eenzijdig haar prijzen zou verhogen, snijdt het alleen in eigen vlees. De concurrenten staan vandaag al klaar om met lagere prijzen de Electrabel klanten over te nemen. Zelfs een relatief nieuwe speler zoals Eneco die in ons land al meer produceert dan verkoopt, hanteert lagere tarieven dan Electrabel en dat met een productiepark dat nagenoeg volledig uit hernieuwbare bronnen bestaat. Als Electrabel zijn stroom nog duurder gaat verkopen, rest de consument een mooie oplossing: van leverancier veranderen.
Tenslotte de aankondiging in verband met het sluiten van de oudste drie kerncentrales in 2015, zoals voorzien in de wet op de kernuitstap. Deze beslissing heeft op z'n minst het voordeel van de duidelijkheid. Ze kan de vicieuze cirkel doorbreken waarin tal van investeringsplannen van concurrenten van Electrabel verstrikt zitten. Want zolang onze markt overspoeld blijft door goedkoop geproduceerde (maar vooralsnog duur verkochte) stroom, vallen er geen gaten in de markt die nieuwe investeerders kunnen invullen. Als de duidelijkheid over het sluiten van de oudste centrales in 2015 er toch komt, kunnen meteen de plannen voor de bouw van nieuwe centrales in Visé (900 MW, reeds vergund), Seneffe (450 MW, reeds vergund) en Evergem (920 MW, bijna vergund) uit de diepvries. Voor die laatste centrale moet EdF trouwens uiterlijk in de lente van 2012 het licht op groen zetten, een door de Europese Commissie opgelegde voorwaarde voor de overname van SPE/Luminus. Reken met een bouwperiode van 2 jaar een half, en tegen 2015 leveren deze centrales meer extra vermogen op dan de 1700 MW aan kerncentrales die er dan uit gaan. De pas gerealiseerde centrales zoals die van Tessenderlo en Marchienne (beiden 420 MW) kunnen bovendien de gesloten en eerstdaags nog te sluiten kolencentrales vervangen. Andere spelers (Eneco in Beringen of Solvay met brandstofcel en biomassacentrale in Antwerpen) lopen zich warm langs de zijlijn. Zelfs hoogspanningsnetbeheerder Elia wil met een eigen centrale reservecapaciteit opbouwen om het net te balanceren, iets wat goedkoper zou zijn dan het reserveren van dergelijke capaciteit op de markt. En laat ons ook niet vergeten dat Vlaanderen ondertussen zo'n kwart van de verdeelde energie uit groene stroombronnen en warmtekrachtkoppeling haalt. Een ontwikkeling die met een miljoenen overschot aan certificaten, het slachtoffer dreigt te worden van het eigen succes maar met de juiste ingrepen nog heel wat perspectief heeft.
Met andere woorden, het licht zal heus niet uitgaan als Electrabel het doek laat vallen over de eerste drie centrales. Dit is geen dreigement, maar een lang verwachte opportuniteit. In plaats van kleine investeringen door een monopolist in een kustmatige levensduurverlenging van verouderde en gevaarlijke centrales, krijgen we veel grotere investeringen in milieuvriendelijke, performante centrales door nieuwkomers. Die kunnen eindelijk hun plannen uit de koelkast halen en een plaats op onze markt veroveren. Dat is beter voor de concurrentie, voor de werkgelegenheid en voor de toekomstige netstabiliteit die in het licht van grootschalige ontwikkeling van wind- en zonne-energie, nood heeft aan gemakkelijk op- en afregelbare gascentrales. En dit in afwachting van een beter verknoopt Europees net waarbinnen landen zoals Noorwegen die over veel waterkracht beschikken, als grote batterij gaan dienen.
Natuurlijk is het aan de overheden om deze ontwikkelingen in goede banen te leiden. De federale overheid moet via het afromen van de nucleaire winsten en desgevallend het veilen van gemonopoliseerde en afgeschreven productiecapaciteit, een gezond investeringsklimaat garanderen. De regionale overheden moeten hun engagementen nakomen voor een versnelling van maatschappelijk belangrijke investeringsprojecten. Nieuwe hoogspanningslijnen en nieuwe milieuvriendelijke centrales horen daar zeker bij. Ze moeten ook het succesverhaal van de lokale productie uit hernieuwbare bronnen en warmtekrachtkoppeling laten verder lopen.
Als onze overheden daar niet in slagen, wordt een vergelijking met het Dexia-verhaal pijnlijk duidelijk: een Belgische stabiele inkomensbasis die door Frankrijk wordt afgetapt, terwijl ons land garant mag staan voor de risico's en voor het betalen van de hoogste facturen. Dit verhaal heeft al lang genoeg geduurd.
Bart Martens
Vlaams volksvertegenwoordiger sp.a
Column verschenen in De Morgen van 7 november 2011 in verkorte vorm.
Commentaires
Poster un nouveau commentaire